Spaans leren: werkwoorden en woorden oefenen
Spaanse werkwoorden hebben voor elke persoon een eigen vorm, dus wie ze kan vervoegen, kan in het Spaans al veel zeggen. Op Verbito oefen je ze gratis en zonder account, in zinnen uit het dagelijks leven.
Werkwoorden
Zinnen met een gat, zoals Ayer ___ paella., in de presente en de pretérito.
Woorden
De belangrijkste woorden met lidwoord: la mesa, el coche.
Meerkeuze of typen
Je kiest uit vier vormen of typt zelf, met knoppen voor á, é en ñ.
Zo vervoeg je Spaanse werkwoorden
Elk Spaans werkwoord eindigt op -ar, -er of -ir, en elke groep heeft eigen uitgangen. In de tegenwoordige tijd (presente) wordt hablar (praten): hablo, hablas, habla, hablamos, habláis, hablan. Bij comer (eten) wordt de a een e: como, comes, come, enzovoort.
Voor de verleden tijd gebruik je meestal de pretérito indefinido: ayer hablé (gisteren praatte ik), él comió (hij at). Het accent maakt verschil: hablo is "ik praat", habló is "hij praatte".
Veel werkwoorden die je dagelijks gebruikt zijn onregelmatig, zoals ser, ir en tener. Andere veranderen van klinker: pensar wordt pienso en dormir wordt duermo. In de lijst met onregelmatige Spaanse werkwoorden staan ze allemaal.
Typische fouten van Nederlanders
Ser en estar betekenen allebei "zijn". Ser gebruik je voor wat iets of iemand is (soy holandés), estar voor waar of hoe het is (estoy en casa, estoy cansado).
De werkwoordsvorm laat al zien wie iets doet. Spanjaarden zeggen daarom gewoon Hablo español, zonder yo.
In Spanje is "jullie" vosotros, met een eigen vorm: habláis. In Latijns-Amerika zegt men ustedes.
Spaanse woorden oefenen