← Verbito

Dutch irregular verbs: list with past tense

Irregular Dutch verbs, also called strong verbs, form their past tense by changing the vowel: lopen → liep, schrijven → schreef. Regular verbs add -te or -de. There are few irregular verbs, but they are the ones you use most. Verbito has 95 of them, most common first.

Groups with the same vowel change

Many change their vowel in the same way, so they are easier to learn in groups.

ij → ee

schrijven → schreef, blijven → bleef, kijken → keek

ie → oo

kiezen → koos, vliegen → vloog, liegen → loog

-cht

kopen → kocht, denken → dacht, zoeken → zocht

Practise these verbs

List of Dutch irregular verbs

InfinitivePast (sing.)Past (pl.)English
zijn was waren to be
hebben had hadden to have
gaan ging gingen to go
doen deed deden to do
kunnen kon konden to can
moeten moest moesten to must
komen kwam kwamen to come
zeggen zei zeiden to say
zien zag zagen to see
weten wist wisten to know
geven gaf gaven to give
nemen nam namen to take
vinden vond vonden to find
denken dacht dachten to think
lopen liep liepen to walk
spreken sprak spraken to speak
eten at aten to eat
drinken dronk dronken to drink
slapen sliep sliepen to sleep
schrijven schreef schreven to write
lezen las lazen to read
kijken keek keken to look
begrijpen begreep begrepen to understand
kopen kocht kochten to buy
verkopen verkocht verkochten to sell
zoeken zocht zochten to search
vragen vroeg vroegen to ask
helpen hielp hielpen to help
beginnen begon begonnen to begin
sluiten sloot sloten to close
brengen bracht brachten to bring
krijgen kreeg kregen to get
rijden reed reden to drive
vliegen vloog vlogen to fly
zwemmen zwom zwommen to swim
zingen zong zongen to sing
vergeten vergat vergaten to forget
onthouden onthield onthielden to remember
verliezen verloor verloren to lose
winnen won wonnen to win
springen sprong sprongen to jump
vallen viel vielen to fall
trekken trok trokken to pull
dragen droeg droegen to carry
houden hield hielden to hold
laten liet lieten to let
blijven bleef bleven to stay
sterven stierf stierven to die
breken brak braken to break
snijden sneed sneden to cut
ruiken rook roken to smell
bezoeken bezocht bezochten to visit
kiezen koos kozen to choose
vechten vocht vochten to fight
vangen ving vingen to catch
klimmen klom klommen to climb
varen voer voeren to sail
bewegen bewoog bewogen to move
genezen genas genazen to heal
wegen woog wogen to weigh
meten mat maten to measure
hangen hing hingen to hang
vergelijken vergeleek vergeleken to compare
verbieden verbood verboden to forbid
smelten smolt smolten to melt
bevriezen bevroor bevroren to freeze
bijten beet beten to bite
strijken streek streken to iron
vertrekken vertrok vertrokken to leave
stijgen steeg stegen to rise
bestaan bestond bestonden to exist
lijken leek leken to seem
wijzen wees wezen to point
fluiten floot floten to whistle
stelen stal stalen to steal
liegen loog logen to lie
bidden bad baden to pray
vermijden vermeed vermeden to avoid
vervangen verving vervingen to replace
verdwijnen verdween verdwenen to disappear
verschijnen verscheen verschenen to appear
duiken dook doken to dive
beschrijven beschreef beschreven to describe
genieten genoot genoten to enjoy
bezitten bezat bezaten to own
vergeven vergaf vergaven to forgive
bespreken besprak bespraken to discuss
gieten goot goten to pour
bedenken bedacht bedachten to invent
ontwerpen ontwierp ontwierpen to design
onderwijzen onderwees onderwezen to teach
kruipen kroop kropen to crawl
verlaten verliet verlieten to abandon
onderbreken onderbrak onderbraken to interrupt
onderzoeken onderzocht onderzochten to investigate